A0 → A1 · Hoofdstuk 4
Mijn familie
Over je familie vertellen, zeggen hoe oud iemand is en meervouden maken.
Na dit hoofdstuk
- Ik kan vertellen wie er in mijn familie zijn.
- Ik kan zeggen hoe oud iemand is.
- Ik kan mijn, jouw, zijn en haar goed gebruiken.
1Woorden
- de familiefamily
- de vader / de moederfather / mother
- de oudersparents
- de broer / de zusbrother / sister
- de zoon / de dochterson / daughter
- het kind / de kinderenchild / children
- de man / de vrouwhusband / wife (also: man / woman)
- de opa / de omagrandpa / grandma
- oud / jongold / young
- getrouwd / gescheidenmarried / divorced
- jarig zijnto have your birthday
- Hoe oud ben je?How old are you?
2Grammatica: Mijn, jouw, zijn, haar … en het meervoud
Bezittelijke voornaamwoorden zeggen van wie iets is: mijn moeder, jouw broer, haar zoon.
‘Ons’ gebruik je bij het-woorden (ons huis), ‘onze’ bij de-woorden en meervoud (onze dochter, onze kinderen).
Meervoud: meestal + en (de zus → de zussen). Na -er, -el, -en en -je: + s (de vader → de vaders, de dochter → de dochters).
Let op: het kind → de kinderen.
| persoon | bezittelijk |
|---|---|
| ik | mijn |
| jij / je | jouw / je |
| u | uw |
| hij | zijn |
| zij | haar |
| wij | ons / onze |
| jullie | jullie |
| zij (meervoud) | hun |
- Mijn zus heet Eva.
- Ahmed en zijn vrouw wonen in Tilburg.
- Onze kinderen zijn vier en zes jaar.
3Lezen: De familie van Fatima
4Luisteren: Een foto van de familie
Een foto van de familie
Klik om het fragment te beluisteren
Je mag dit fragment nog 99 keer afspelen.
5Schrijven
Schrijf over je familie voor je taalmaatje.
Schrijf over:
- wie er in je familie zijn
- hoe oud ze zijn
- waar ze wonen
0 woorden · 20–60 nodig
6Spreken
Opdracht 1
Je laat een foto van je familie zien. Vertel wie wie is.
Opdracht 2
Vraag je collega of hij kinderen heeft en hoe oud ze zijn.
Hoofdstuktoets · 10 vragen · 15 minuten
Haal 7 van 10 goed