A0 → A1 · Hoofdstuk 3
Getallen en tijd
Tellen tot 100, zeggen hoe laat het is en een afspraak maken.
Na dit hoofdstuk
- Ik kan tellen tot 100 en prijzen begrijpen.
- Ik kan zeggen hoe laat het is.
- Ik kan een dag en tijd afspreken.
1Woorden
- maandag, dinsdag, woensdagMonday, Tuesday, Wednesday
- donderdag, vrijdagThursday, Friday
- zaterdag, zondagSaturday, Sunday
- de dag / de weekday / week
- het uurhour
- half achthalf past seven (7.30)
- kwart over driequarter past three (3.15)
- kwart voor negenquarter to nine (8.45)
- vandaag / morgentoday / tomorrow
- de afspraakappointment
- Hoe laat is het?What time is it?
- Hoeveel kost het?How much is it?
2Grammatica: Klokkijken en het werkwoord ‘hebben’
‘Half’ betekent een half uur vóór het volgende uur: half acht = 7.30 (niet 8.30!).
Kwart over drie = 3.15. Kwart voor vier = 3.45. Tien voor half vier = 3.20.
Bij getallen boven 20 zeg je eerst de eenheid: 21 = eenentwintig, 45 = vijfenveertig.
‘Hebben’ (to have) is onregelmatig.
| persoon | hebben |
|---|---|
| ik | heb |
| jij / je | hebt (heb jij?) |
| u | hebt / heeft |
| hij / zij | heeft |
| wij / jullie / zij | hebben |
- Het is half negen.
- Ik heb morgen om tien uur een afspraak.
- Heb jij vandaag tijd?
3Lezen: Een afspraakkaart
4Luisteren: Een voicemail van Anna
Een voicemail van Anna
Klik om het fragment te beluisteren
Je mag dit fragment nog 99 keer afspelen.
5Schrijven
Anna vraagt of je om drie uur kunt. Je kunt niet. Stuur haar een berichtje.
Schrijf over:
- zeg dat je om drie uur niet kunt
- stel een andere dag en tijd voor
0 woorden · 10–40 nodig
6Spreken
Opdracht 1
Iemand vraagt: ‘Hoe laat is het?’ Het is 8.30 uur.
Opdracht 2
Je belt de kapper. Maak een afspraak voor zaterdag.
Hoofdstuktoets · 10 vragen · 15 minuten
Haal 7 van 10 goed