A0 → A1 · Hoofdstuk 6
In de stad
Plaatsen in de stad noemen, de weg vragen en aanwijzingen begrijpen.
Na dit hoofdstuk
- Ik kan de weg vragen.
- Ik kan uitleggen hoe iemand ergens komt.
- Ik kan plaatsen in de stad noemen.
1Woorden
- het stationstation
- de bushaltebus stop
- de winkel / de supermarktshop / supermarket
- het ziekenhuishospital
- de apotheekpharmacy
- het gemeentehuistown hall
- de straatstreet
- links / rechtsleft / right
- rechtdoorstraight ahead
- op de hoekon the corner
- dichtbij / vernear / far
- Pardon, waar is …?Excuse me, where is …?
2Grammatica: De gebiedende wijs en plaatswoorden
Een opdracht of aanwijzing begint met de stam van het werkwoord: Ga rechtdoor. Neem de tweede straat links.
Beleefder: voeg ‘even’ of ‘maar’ toe, of gebruik ‘u kunt’: U kunt hier rechtsaf.
Plaatswoorden: naast, tegenover, achter, voor, bij, tussen, op de hoek van.
| werkwoord | opdracht |
|---|---|
| gaan | Ga rechtdoor. |
| nemen | Neem bus 12. |
| lopen | Loop tot de hoek. |
| uitstappen | Stap uit bij het station. |
- De apotheek is naast de supermarkt.
- Het station is tegenover het park.
- Ga bij het stoplicht links.
3Lezen: De weg naar het feest
4Luisteren: De weg naar het ziekenhuis
De weg naar het ziekenhuis
Klik om het fragment te beluisteren
Je mag dit fragment nog 99 keer afspelen.
5Schrijven
Een vriend komt bij je op bezoek. Leg in een bericht uit hoe hij van het station naar jouw huis komt.
Schrijf over:
- welke bus of welke richting
- waar hij links of rechts gaat
- wat er naast of tegenover je huis is
0 woorden · 20–60 nodig
6Spreken
Opdracht 1
Een toerist vraagt: ‘Waar is het station?’ Leg de weg uit.
Opdracht 2
Je zoekt een apotheek. Vraag de weg.
Hoofdstuktoets · 10 vragen · 15 minuten
Haal 7 van 10 goed