A0 → A1 · Hoofdstuk 8
Mijn huis
Je huis beschrijven, zeggen wat er is en een woningadvertentie begrijpen.
Na dit hoofdstuk
- Ik kan mijn huis of kamer beschrijven.
- Ik kan ‘er is’ en ‘er zijn’ gebruiken.
- Ik kan een eenvoudige woningadvertentie lezen.
1Woorden
- het huishouse
- het appartementflat, apartment
- de kamerroom
- de woonkamerliving room
- de slaapkamerbedroom
- de keukenkitchen
- de badkamerbathroom
- de tuin / het balkongarden / balcony
- de huurrent
- groot / kleinbig / small
- nieuw / oudnew / old
- er is / er zijnthere is / there are
2Grammatica: Er is / er zijn en het bijvoeglijk naamwoord
Eén ding: er is. Meer dingen: er zijn. Er is een keuken. Er zijn twee slaapkamers.
Staat het bijvoeglijk naamwoord vóór het woord? Dan krijgt het meestal een -e: de grote kamer, een kleine tuin.
Uitzondering: ‘een’ + het-woord zonder -e: een groot huis, een klein balkon.
Staat het woord achter ‘is’ of ‘zijn’? Dan geen -e: Het huis is groot.
| de-woord | het-woord |
|---|---|
| de grote kamer | het grote huis |
| een grote kamer | een groot huis |
| De kamer is groot. | Het huis is groot. |
- Er is een kleine tuin.
- Er zijn drie kamers.
- Ik woon in een oud huis.
3Lezen: Te huur
4Luisteren: Mijn appartement
Mijn appartement
Klik om het fragment te beluisteren
Je mag dit fragment nog 99 keer afspelen.
5Schrijven
Beschrijf je huis of je kamer in vier of vijf zinnen.
Schrijf over:
- hoe groot het is
- welke kamers er zijn
- wat je mooi of niet mooi vindt
0 woorden · 25–70 nodig
6Spreken
Opdracht 1
Vertel hoe jouw huis eruitziet.
Opdracht 2
Je belt over een huis dat te huur is. Vraag hoeveel kamers er zijn en wat de huur is.
Hoofdstuktoets · 10 vragen · 15 minuten
Haal 7 van 10 goed